De burgerPrivacyProces

Politie beledigen op internet: persmisdrijf, cyberpesten en/of schending privacywetgeving?

© Max Pixel

Begin 2016 werd een man veroordeeld voor het beledigen van agenten op Facebook. Echter ontstond al snel een discussie over de bevoegdheid van de correctionele rechtbank. De (advocaat van de) man had het blijkbaar ‘gesmurft’ om de belediging als persmisdrijf door het leven te laten gaan. In de praktijk heeft dat grote gevolgen voor de gedigitaliseerde samenleving waar we vandaag de dag in leven.

De feiten: politie beledigen via Facebook

De man in kwestie werd op één en dezelfde dag twee maal gecontroleerd op de Brusselse ring. Twee maal was dat omdat hij zijn gsm gebruikte achter het stuur. Al bij de eerste controle maakte de man geniepig foto’s van de agenten en plaatste hij die op zijn publieke Facebookpagina en zijn Instagram-account. Hij voorzag de foto’s van de bijhorende tekst: “ik zen wa later oep den buro he mannen! Da m’n papiere nog oep de Bolivarpleuts ligge zek! En klapt Vloms smurf” (tweeëntwintig maal sic). Ook bij de tweede controle die dag nam de man in kwestie foto’s van de agenten. Toen werd dat wel opgemerkt en vroeg de betrokken agent om die foto’s te wissen. De man deed dat niet en plaatste de foto’s opnieuw op zijn publieke Facebookpagina. Ditmaal met volgend opschrift: “We zijn 9 uur later en nu andere richting en t’is terug van da! De nieuwe shift smurfen volgen hun orders mooi op! Kvoel m’n eigen geviseerd! :-)” (andermaal sic).

De agenten dienden uiteindelijk een klacht in tegen de man op basis van cyberpesten en een inbreuk op de privacywetgeving.

Correctionele rechtbank: politie beledigen via Facebook is cyberpesten

De correctionele rechtbank oordeelde dat het niet ging om een inbreuk op de privacywetgeving. Volgens hen viel het gebruik van de persoonsgegevens, in de vorm van foto’s waarbij de agenten duidelijk herkenbaar zijn, immers onder een activiteit met uitsluitend persoonlijke of huishoudelijke doeleinden.

Opdat cyberpesten dan weer wel strafbaar zou zijn, moet de dader een elektrisch communicatiemiddel of -dienst gebruiken om overlast te veroorzaken aan de betrokken personen of hen schade te berokkenen. De correctionele rechtbank oordeelde dat de feiten voldeden aan de aangehaalde definitie.  Het legde hierbij voornamelijk de nadruk op de beledigende commentaar bij de foto’s. In die commentaar had de beklaagde zich “laatdunkend” uitgelaten over “de politie en haar opdracht” waardoor de agenten “in een negatief daglicht werden gesteld, gelet op het taalgebruik, op een spottende of beledigende manier”.

Uiteindelijk leverde het de man een fikse boete en een gevangenisstraf van drie maanden cel met uitstel op. Toch was de zaak nog niet afgerond.

Is de correctionele rechtbank wel bevoegd bij politie beledigen op internet?

Uiteindelijk kwam de zaak terecht bij het Hof van Beroep. Er werd immers de vraag gesteld of de correctionele rechtbank (en dus ook het Hof van Beroep) in de eerste plaats wel bevoegd was/is om uitspraak te doen. Indien het immers ging om een persmisdrijf, is het enkel het Hof van Assisen die hierover mag oordelen.

Het is artikel 150 Grondwet die de bepalingen bevat omtrent het persmisdrijf. Die regel moest oorspronkelijk de pressievrijheid beschermen in het prille België. Indien het ging om een persmisdrijf, zou de zaak moeten voorgelegd worden aan het hof van assisen. Echter is er daar maar zelden een vervolging van de persmisdrijven, aangezien het Hof voorkeur geeft aan de zware misdrijven.

Om te spreken over een persmisdrijf moeten verschillende elementen aanwezig zijn:

  • Het moet gaan om een potentieel strafbare vorm van vrijemeningsuiting;
  • Die meningsuiting moet weergegeven zijn in een tekst;
  • Die tekst moet vermenigvuldigd worden door “een drukpers of een gelijkaardige procedé”.

Het Hof van Cassatie oordeelde al in 2012 (Cass. 6 maart 2012) dat de vereiste “vrijemeningsuiting” geen maatschappelijke relevantie of gewicht dient te hebben. Zelfs persoonlijke en losstaande beledigingen volstaan. Ook indien ze losstaan van het maatschappelijk debat, zoals hier het geval is. Wat betreft de vereiste van vermenigvuldiging via een “gelijkaardig procedé” oordeelde Cassatie ook al verschillende keren dat ook een digitale verspreiding onder die noemer valt.

Concreet kan een persoonlijke belediging via Facebook dus een persmisdrijf zijn, zolang het maar gaat om “een weergave in een tekst”. Video’s, foto’s of karikaturen vallen dus buiten de definitie – tenzij het strafbare karakter ervan samenvalt met de bijbehorende tekst of het onderschrift. Dat laatste is hier natuurlijk wel het geval.

Het Hof van Beroep oordeelde met andere woorden dat een digitale verspreiding via Facebook met een grote groep volgers, gelijkstaat aan het gebruik van de drukpers in de zin van artikel 150 Grondwet. Concreet: het Hof van Beroep acht zich niet bevoegd om uitspraak te doen over dit “persmisdrijf” en ook de correctionele rechtbank had die bevoegdheid dus niet.

Hof van Beroep: wel schending privacywetgeving

Echter wist het Hof van Beroep toch nog een veroordeling in de wacht te slepen. Waar de correctionele rechtbank geen veroordeling uitsprak omtrent een inbreuk op de privacywetgeving, deed het Hof van Beroep dit immers wel. De verspreiding van foto’s van herkenbare personen zou immers, volgens het Hof van Beroep, een schending uitmaken van de wet verwerking persoonsgegevens. Zij volgden de uitzonderingsgrond “persoonlijke of huishoudelijke doeleinden”, zoals de correctionele rechtbank het wel deed, met andere woorden niet. Vooral het feit dat het Facebookaccount van de man publiek toegankelijk was, speelde hierbij een belangrijke rol. De foto’s zijn immers niet alleen gedeeld met een “kleine groep kennissen, vrienden en familieleden”, maar waren toegankelijk voor “tienduizenden personen”.  De uitzonderingsgrond was niet van toepassing. Natuurlijk impliceert dat nog niet automatisch een schending van de privacywetgeving.

Een andere voorwaarde om te kunnen spreken over een schending van de privacywetgeving is dat er een “directe of indirecte identificatie” van de agenten mogelijk was. Hiervoor dienden de agenten duidelijk herkenbaar te zijn. Aangezien vele van de gepubliceerde foto’s van grote afstand genomen waren of enkel de rug van de agenten zichtbaar was, bleek dat niet eenvoudig. Uiteindelijk was er slechts één foto waarop een agent duidelijk herkenbaar was. Die foto kon eventueel een schending van de privacywetgeving uitmaken, de andere foto’s niet.

Tot slot stelde het Hof van Beroep zich de vraag of het fotograferen van agenten in functie überhaupt wel een schending kan uitmaken van hun privacy. Een burger zou immers kunnen opwerpen dat hij journalistieke motieven heeft. In deze zaak was het logisch om te concluderen dat de man geen journalistieke ambities had.

Wat vooral duidelijk wordt: dit arrest van het Hof van Beroep had er alle moeite mee om de grondwettelijke regeling omtrent de  persmisdrijven in ere te houden zonder dat in complete straffeloosheid te laten resulteren. Of, zoals Joghum Vrielink (Université Saint-Louis, Brussel) het in De Juristenkrant formuleerde: “een arrest dat ook verder goed gesmurft is”.

Geef een reactie