Internationaal

Slachtoffers van Belgische wantoestanden in Congo krijgen geen schadevergoeding

In een recente zaak diende de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel zich uit te spreken over een schadeclaim ten aanzien van de Belgische Staat. Verschillende metissenkinderen, kinderen van Belgische koloniale mannen en Congolese moeders, vroegen een schadevergoeding voor het leed dat hen werd aangedaan. De zaak draaide uit op een sisser en de metissenvrouwen kregen geen schadevergoeding toegewezen.

Belgische wantoestanden in Congo

Er was een tijd dat wij Belgen, met koning Leopold II voorop, ons in Congo met allerlei wandaden bezighielden. Mensen die weigerden om rubber te tappen, werden bijvoorbeeld geslagen met de sjambok. Als de rubberquota’s niet werden behaald, werden er zelfs mensen gedood. Om te voorkomen dat de Force Publique (het koloniale leger dat de Belgische kolonisten steunde) hun kogels zou gebruiken voor de jacht, werden ze verplicht om de afgehakte handen van de terdoodveroordeelden aan de kolonisten te bezorgen. Het veroorzaakte een handeltje in afgehakte handen, waarbij de bevolking onbehaalde rubberquota met afgehakte handen afkocht en naburige dorpen werden aangevallen om er handen te verzamelen. Het zijn slechts enkele voorbeelden van de wanpraktijken die in Congo plaatsvonden.

Ook het beleid ten aanzien van de metissenkinderen was mensonterend. Deze kinderen van Belgische mannen en Congolese vrouwen werden van hun moeders afgenomen en naar Belgische weeshuizen gebracht om daar een ‘passende opvoeding’ te krijgen. Naar moderne maatstaven gaat het om ontvoering, niets meer of niets minder. Het leverde de kinderen later veel problemen op. Hun familie opsporen was vaak onmogelijk en veelal verkregen ze niet eens de Belgische nationaliteit. Ze kregen louter een gele identiteitskaart voor vreemdelingen en werden staatloos, ook als ze terugkeerden naar hun land van herkomst.

Excuses voor de begane fouten uit het verleden

Eerder al heeft de Katholieke Kerk zijn excuses aangeboden voor de wantoestanden ten opzichte van de metissenkinderen en hun moeders. De experts van de Verenigde Naties hebben lang aan België gevraagd om zich te excuseren voor de koloniale wreedheden, maar lange tijd ging ons land daar niet op in.

In een resolutie van 29 maart 2018 over de segregatie waarvan de metissen uit de periode van de Belgische kolonisatie in Afrika het slachtoffer zijn geweest werden de wantoestanden voor het eerst erkend door de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers. De Kamer verzocht de regering ook om na te gaan of het mogelijk was om de metissekinderen de Belgische nationaliteit toe te kennen.

DE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS, […] ERKENT:
1. de gerichte segregatie waarvan de metissen onder het koloniaal bewind over Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi tot 1962 en ingevolge de dekolonisatie het slachtoffer zijn geweest, en het beleid van gedwongen ontvoeringen dat daaruit voorvloeide;” (Resolutie van 29 maart 2018)

Vervolgens heeft premier Charles Michel, namens de Belgische regering, op 4 april 2019 zijn officiële verontschuldigingen aangeboden aan de “metissen van Belgische koloniale origine en hun families“. Over een eventuele schadevergoeding werd er met geen woord gerept.

Metissenkinderen klagen de Belgische Staat aan

Voor vijf metissenvrouwen waren deze excuses onvoldoende. In juni 2020 beslisten ze om de Belgische Staat voor de rechtbank te dagen. Ze eisten elk een schadevergoeding van 50.000 euro tegen de begane misdaden tegen de mensheid en de schending van een aantal fundamentele mensenrechten. Het is hierover dat de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel intussen uitspraak heeft gedaan.

Voor wat de fundamentele mensenrechtenschendingen betreft, hebben de vrouwen het onder andere over de schending van het verbod op rassendiscriminatie en het verbod op een vernederende en onmenselijke behandeling. Misdaden tegen de mensheid is dan weer een verzamelnaam voor zware misdrijven die wijdverbreid en stelselmatig tegen een burgerbevolking zijn uitgevoerd. Het bekendste voorbeeld is de systematische moord van joden in Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De zaak is deels verjaard

De rechtbank heeft zich niet uitgesproken over de schendingen van fundamentele mensenrechten, omdat deze vermeende schendingen volgens de rechtbank zijn verjaard. Hiervoor baseert het zich op artikel 34 van de wet op de Rijkscomptabiliteit dat op het moment van de feiten en tot 1970 van toepassing was. Dit artikel schoof een verjaringstermijn van vijf jaar naar voren voor alle buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen tegenover de Belgische Staat. Deze verjaringstermijn begint te lopen op het moment dat de fout van de Staat zich manifesteert. Omdat de wanpraktijken gebeurden tussen 1948 en 1961 hadden de vrouwen volgens de rechtbank de vordering ten laatste op 31 december 1966 moeten inleiden.

Geen sprake van misdaden tegen de mensheid

Ten aanzien van de misdaden tegen de mensheid oordeelt de rechtbank echter anders. Het vindt namelijk dat artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering een verjaring van deze misdaden in de weg staat. Dit artikel bepaalt dat de burgerlijke rechtsvordering die uit een misdrijf volgt niet kan verjaren voordat er over de strafvordering een uitspraak wordt gedaan. Nu er geen voorafgaande strafprocedure is geweest, kan er ook geen sprake zijn van verjaring. Kortom: voor wat de misdaden tegen de mensheid betreft, dient de rechtbank zich wel uit te spreken.

Volgens de rechtbank is “de politiek van ontvoering van metissenkinderen en hun onderbrenging bij religieuze instellingen op grond van raciale motieven” geen misdaad tegen de mensheid. Hoewel we daar vandaag anders over zouden oordelen, moet er volgens de rechtbank rekening worden gehouden met het legaliteitsbeginsel en dus met de regels die op het moment van de feiten van toepassing waren. Als je gisteren 120 km/uur rijdt en dat gisteren was toegestaan, kan je niet worden gestraft als de snelheidslimiet morgen naar 100 km/uur wordt aangepast. De feiten dienen steeds te worden beoordeeld op basis van de spelregels die op het moment van de feiten van toepassing waren. Zo gaat het ook als de Belgische Staat voor de rechtbank wordt gedaagd.

De spelregel die de aangehaalde feiten bestraft – vandaag zijn de feiten zeker strafbaar, laat daar geen twijfel over bestaan –, is artikel 136ter Strafwetboek. Dit artikel geeft aan dat de “gevangenneming of elke andere vorm van ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid met schending van de fundamentele bepalingen van het internationaal recht” een misdaad tegen de mensheid is. Het probleem is dat dit artikel pas in 1999 is ingevoerd en dat deze spelregel dan ook pas sindsdien geldt. Omdat er in de periode van 1948 tot 1961 nog helemaal geen juridisch kader was om de aangehaalde feiten als misdrijven te kwalificeren, is er volgens de rechter ook geen sprake van een misdrijf tegen de mensheid.

De rechter neemt vervolgens zijn tijd om duidelijk aan te geven dat de genoemde praktijken onaanvaardbaar waren en dat de koloniale overheid destijds over de schreef is gegaan. Het leed van de vrouwen wordt door de rechter duidelijk onderschreven, maar juridisch gezien kan de rechter geen schadevergoedingen toekennen aan deze slachtoffers. Dat kan enkel als de politiek anders beslist en zijn verantwoordelijkheid opneemt.

Geef een antwoord