ProcesProcesvoering

Vernietiging videoconferentieregeling door Grondwettelijk Hof

© Focus WTV

De wet van 29 januari 2016 betreffende het gebruik van videoconferentie voor de verschijning van inverdenkinggestelden in voorlopige hechtenis, liet de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling toe om te bevelen dat de aangehouden inverdenkinggestelde diende te verschijnen via een videoconferentie. Het Grondwettelijk Hof is het echter niet eens met die regeling en vernietigt nu die regels. Hierdoor zal de beklaagde zelf kunnen kiezen: persoonlijk verschijnen of zich laten vertegenwoordigen door een advocaat.

Waarover ging het?

Sinds 1 september 2017 konden de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling beslissen om de aangehouden inverdenkinggestelde te laten verschijnen via een videoconferentie. Die verschijning is noodzakelijk om de voorlopige hechtenis te controleren of voor de regeling van de rechtspleging. Voor 1 september 2017 kon de verdachte kiezen om persoonlijk te verschijnen of zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat. Door veiligheidsbeperkingen was dat echter een dure procedure dat bovendien ook veiligheidsrisico’s met zich meebracht. Om die reden diende de wet van 29 januari 2016 een oplossing te bieden.

Vernietiging door het Grondwettelijk Hof

Het Grondwettelijk Hof oordeelde nu dat die regeling in strijd is met artikel 12 van de Grondwet.

Volgens dat Grondwettelijk artikel kan niemand ‘vervolgd worden dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft’. De bevoegdheid van de KI en de raadkamer om te beslissen dat de verschijning dient te gebeuren per videoconferentie, zorgt voor inmenging in de ‘vorm van de vervolging’, dat nochtans enkel aan de wet wordt voorbehouden.

Dat laatste zou anders zijn indien de wet de regels zou bepalen waarop de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling tot die beslissing kan overgaan. Die volledige beoordelingsbevoegdheid houdt dan ook een schending in van artikel 12 Grondwet.

Voorts haalt het Grondwettelijk Hof aan dat louter de ‘hoge kostprijs van het vervoer van de gedetineerde’ niet volstaat om die beslissing te rechtvaardigen.

Het Grondwettelijk Hof heeft hierop besloten om deze videoconferentieregeling te vernietigen. Inverdenkinggestelden krijgen met andere woorden opnieuw de keuze, zoals het eigenlijk al voor 1 september 2017 het geval was.

Het volledige arrest (nr. 76/2018 van 21 juni 2018) kan je overigens hier lezen.

Geef een reactie