ConsumentEconomieFiscaal

Vernietiging bijkluswet door het Grondwettelijk Hof

In het arrest van 23 april 2020 heeft het Grondwettelijk Hof de zogenaamde bijkluswet (de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie) volledig vernietigd. Via deze wet konden gepensioneerden, ambtenaren, werknemers en zelfstandigen tot 6.250 euro (te indexeren) bijverdienen zonder sociale bijdragen of belastingen te betalen. Het ging daarbij om occasionele diensten tussen burgers, verenigingswerk en diensten via een erkend elektronisch platform in de deeleconomie. Het verzoekschrift tot vernietiging werd ingediend door verschillende organisaties, zoals de Boerenbond, de Unie van het KMO-Bouwbedrijf. de Unie van Belgische Kappers en de bvba Bouwwerken Jurgen Van Impe. Hieronder de redenering van het Grondwettelijk Hof.

Verschillende Grondwettelijke schendingen

Het Grondwettelijk Hof stelt een schending van het niet-discriminatiebeginsel beginsel vast. Volgens het Grondwettelijk Hof zijn personen die diensten verlenen via een elektronisch platform en werknemers die dezelfde diensten via een arbeidsovereenkomst verlenen, vergelijkbare categorieën die alsnog op een verschillende manier worden behandeld. Zo’n verschillende behandeling kan enkel als daarvoor een redelijke verantwoording is, wat hier niet het geval is. Dezelfde redenering volgt het Hof ook voor het verrichten van occasionele diensten tussen burgers enerzijds en zelfstandigen met het zelfstandigenstatuut anderzijds.

Volgens de ministerraad bevonden zij zich nochtans niet in een gelijke situatie omdat de wet niet het doel heeft om de tewerkstellingsvorm te vervangen door een nieuwe tewerkstellingsvorm, maar net om zwartwerk en misbruik van het vrijwilligersstatuut te vermijden. Het Grondwettelijk Hof volgde die redenering niet. Meer zelfs: de raadsheren van het Grondwettelijk Hof reageerden er niet mals op. Zij haalden aan dat het risico op misbruik van het vrijwilligersstatuut geen reden is om eventjes een ander statuut te creëren dat elke toepassing van de arbeidswetgeving uitsluit.

Vragen bij bijzondere maatschappelijke meerwaarde

Daarnaast werden er verschillende pogingen ondernomen om het verschil in behandeling redelijk te verantwoorden. Ook in de parlementaire voorbereiding werd daarbij verwezen naar de maatschappelijke meerwaarde van de activiteiten.

Volgens het Grondwettelijk Hof is dit echter geen redelijke verantwoording. Dit omdat de grote “maatschappelijke meerwaarde” blijkbaar minder belangrijk is wanneer werknemers of zelfstandigen dezelfde activiteiten uitoefenen. Daarnaast stelt het Grondwettelijk Hof zich ook kritisch op ten opzichte van de maatschappelijke meerwaarde van een aantal activiteiten die in artikelen 3 en 20 van de Bijkluswet staan. Hierin vind je onder andere activiteiten terug als “opziener van onroerende goederen” en “knutselles in de privéwoning van de lesgever”.

Bovendien blijkt niet dat de activiteiten die worden opgesomd in de artikelen 3 en 20 van de wet van 18 juli 2018, alle een grotere maatschappelijke meerwaarde zouden hebben dan mogelijke andere activiteiten.” (GwH 23 april 2020, nr. 2020/53)

Bijkomstig karakter staat ter discussie

Daarnaast werd geopperd dat werknemers en zelfstandigen vooral het voorzien in het levensonderhoud van hun gezin vooropstellen, terwijl verenigingswerkers eerder leven omwille van het maatschappelijk belang. De vergoeding is voor hen eerder bijkomstig, waardoor een verschillende fiscale en sociale behandeling redelijk verantwoord is. Of zo luidde het toch.

Volgens het Grondwettelijk Hof is zo’n bijkomstig karakter echter afhankelijk van de persoonlijke situatie en valt het helemaal niet te veralgemenen. Voor sommigen kan de vergoeding noodzakelijk zijn om de eindjes aan elkaar te knopen, net zoals dat bij werknemers of zelfstandigen het geval is. En voor sommige werknemers of zelfstandigen kan het loon dan weer eerder een bijkomstig karakter hebben.

Diverse andere onrechtvaardigde behandelingen

Het Grondwettelijk Hof vindt het bovendien onbegrijpelijk dat het stelsel van onbelast bijklussen er enkel is voor zelfstandigen, werknemers, ambtenaren en gepensioneerden. Diverse andere groepen van personen worden uitgesloten van de gunstregeling, zoals:

  • Personen die een vervangingsinkomen krijgen, zoals een werkloosheidsuitkering
  • Personen die een socialebijstandsuitkering krijgen, zoals een leefloon
  • Personen die niet voltijds tewerkgesteld zijn
  • Personen buiten de arbeidsmarkt, zoals huismannen, huisvrouwen en studenten

Beslissing van het Grondwettelijk Hof

Het Grondwettelijk Hof kan dan ook niet anders dan de Bijkluswet volledig te vernietigen. In principe wordt bij zo’n vernietiging aangenomen dat de wet nooit heeft bestaan (retroactieve werking). In sommige gevallen, wanneer de vernietiging ingrijpende gevolgen zou hebben, kan het de vernietiging wel verzachten. Omdat alle bijklussers nu in de problemen zouden kunnen komen en tegen allerhande navorderingen en boetes zouden kunnen aanlopen, heeft het Grondwettelijk Hof dat hier ook gedaan.

Daarom vernietigde het de Bijkluswet met ingang van volgend aanslagjaar. Hierdoor kunnen bijklussers dit aanslagjaar nog steeds een beroep doen op de gunstregeling, niet alleen voor de reeds uitgevoerde klussen maar ook voor toekomstige klussen. Daarnaast krijgen platformen in de deeleconomie, die vaak hun volledig ondernemingsplan op de bijkluswetgeving hebben gestoeld, de tijd om zich te heroriënteren.

Geef een reactie